Activiteit 1: Aanbrengen van het verhaal

Methodiek

Ontwikkelingsdoelen
Nederlands: 1.5, 2.1, 2.6, 3.1, 5.5
Mens en maatschappij: 1.5, 2.1, 2.5, 3.2
Muzische vorming: 4.2, 5.3 

Materiaal

  • boek
  • vertelplatenset 
  • personages uit het boek (bijlage 1.1)
  • doosjes of zakjes met daarin boerderijdieren, tractor, autobus
  • materiaal om een deel van de vertelplaten af te plakken

Inhoud
Toon de cover van het boek en/of de eerste plaat van de vertelplatenset.  Stel enkele richtvragen. Je vindt richtvragen voor alle prenten van het boek op de achterkant van de vertelplatenset.

Tip
Laat voor de kinderen zo lang mogelijk open of Lou nu jongen of meisje is. Je kan zelfs extra prikkelen: Lou kan bv. een afkorting van zowel louis als Louise zijn. Stel stereotiepe antwoorden van kinderen in vraag. Als een kind bv. zegt dat Lou een jongen is omdat ‘hij’ kort haar heeft, vraag dan of meisjes geen kort haar kunnen hebben en haal voorbeelden uit de klas of school aan. 

Toon de eerste prent van het verhaal en stel enkele vragen.

Tip
Als de kinderen de persoon aan tafel benoemen als mama, zeg dan niet meteen dat dit ‘toch geen mama is’. Er zijn ook mama’s met kleine borsten en kort haar. Vraag wel door: Waarom denk je dat dit de mama is? Stel hierbij opnieuw eventuele stereotiepe antwoorden in vraag.  (bv.: ‘Het is een mama want die blijft bij de baby.’ – Kan een papa niet voor een baby zorgen?). Laat kinderen ook volop mogelijkheden bedenken voor de andere volwassen persoon (een nonkel, een vriend van de ouders, …). Als kinderen voorlopig zelf als mogelijkheid niet bedenken dat dit de 2 papa’s van Lou zijn, is dat niet erg. Ze komen dat dan te weten wanneer je later het verhaal begint te lezen.

Nadat je ook de tweede prent van het verhaal hebt besproken, kan je de cover en de eerste twee prenten naast elkaar plaatsen en de kinderen vragen hoe ze denken dat het verhaal zal verder gaan.
Je kan uiteraard prent per prent verder bespreken, verspreid over verschillende momenten, maar wat variatie is uiteraard leuk. Enkele ideeën:

  • Plak een deel van een prent van de vertelplatenset af. Wie een verteltheater heeft, schuift de prent niet meteen helemaal door. De kinderen beschrijven wat ze al zien en raden wat er verder nog op de prent staat. Je kan hierbij bv. een klein stukje van de brandweerwagen zichtbaar laten (prent 7) en vragen wat voor voertuig dit is.
  • Bied eens twee prenten tegelijk aan, maar zeg dat je niet weet in welke volgorde ze moeten. De kleuters moeten zelf door observatie achterhalen welke prent eerst komt. Dit kan relatief makkelijk met bv. prenten 5 en 6. Heel wat moeilijker is het bv. met prenten 8 en 9 (er staat nog een stukje kegel op prent 9).
  • Eens de kinderen weten dat Lou op schoolreis gaat, kan je hen laten nadenken over waar de schoolreis naartoe kan gaan. Voor je de prent toont, kan je hen zakjes (of doosjes) geven waarin tips zitten. In het eerste zakje kunnen bv. boerderijdieren zitten, in het tweede een tractor en in het derde een autobus. (Hoe gaat de klas van Lou op schoolreis?)
  • Al snel bij het aanbrengen van het verhaal kan je de kinderen enkele uitgesneden personages uit het boek aanbieden (bijlage 1.1). De kinderen kunnen zelf al even denken over wie deze mensen kunnen zijn. Terwijl je het verhaal aanbrengt, staan deze figuren steeds zichtbaar in de buurt. Van zodra een personage in het verhaal verschijnt, is het aan de kinderen om dit op te merken. De personages die al aan bod kwamen, kunnen samen in een groepje worden gezet.
BijlageGrootte
PDF-pictogram 1-aanbrengenvanhetverhaal.pdf1.09 MB