Activiteit 3: Lou gaat naar school

Methodiek

Ontwikkelingsdoelen
Nederlands: 3.1
Mens en maatschappij: 3.2, 4.9, 4.11, 4.12 

Materiaal

  • grondplan met huisjes
  • personages uit het boek (bijlage 1.1)
  • boek en/of vertelplatenset
  • eventueel enkele voertuigen (auto’s, vuilniswagen, brandweerwagen,…
  • allerlei knutselmateriaal

Belangrijk
Voor deze activiteit maakten de kinderen al kennis met grondplan en bijhorende huizen  (activiteit 2)

Inhoud

1. De juiste plaats
In dit deel van deze activiteit is het de bedoeling dat de personages op de juiste plek op het grondplan belanden. Sommige zullen voortdurend van plek veranderen (bv. Lou), anderen zullen blijven staan op de plek waar Lou ze ontmoet. Niets belet uiteraard dat de kinderen ook met deze personages hun fantasie de vrije loop laten en ze ‘mobiel’ maken.
Om dit te bereiken kan je het verhaal zelf nog eens voorlezen (boek of vertelplatenset) of de kinderen zelfstandig(er) met boek of vertelplatenset laten werken.

2. Verkeer en veiligheid
Bij het traject dat Lou en zijn papa afleggen, komt heel wat verkeer te pas. Je kan met de kinderen onder andere ingaan op:

  • het feit dat Lou steeds aan de kant van de huizen loopt, papa aan de straatkant. (Dit in tegenstelling tot Anissa, Lou’s vriendin. Je kan dit de kinderen zelf laten zoeken/vaststellen.)
  • de plekken die papa kiest om over te steken. Waarom kiest papa deze plekken? Is dit altijd de beste keuze? (termen het zebrapad, de stoep, het verkeerslicht, de voetganger, …) 
  •  de manier waarop we oversteken: links-rechts-links kijken, recht (zo kort mogelijk) oversteken, op een zebrapad als er eentje in de buurt is. Oefen dit in de klas of op de speelplaats (eventueel in de les L.O.), eventueel ook met een gemachtigd opzichter (laat een kleuter ook eens opzichter zijn). Leuke uitbreiding: oversteken voor blinden met rateltikker (filmpje op Youtube: ‘kijken met je oren’ van Peter van der Heijden)
  • verkeerslichten: bediening (Lou duwt op de knop), rood voor de voetgangers is groen voor de auto’s, … 
  • verkeersborden: dat er geen in het boek staan, kan net een reden zijn om er kinderen enkele aan te bieden en een geschikte plaats op het grondplan te zoeken (bv.: ‘voetgangers hier oversteken’ aan de wegenwerken of het bord ‘éénrichtingsverkeer’ aan de straat van Lou – sterke kinderen kunnen zelf afleiden uit het boek aan welke kant van de straat dit bord moet). Je kan hierbij ingaan op kleuren (rood= gevaar/stop, blauw = gebod, groen = oké, fluo of oranja = opletten, …).
  • fluohesjes. Sommige kinderen dragen een fluohesje, anderen niet. Je kan met de kinderen eventueel zorgen voor een fluohesje voor Lou (tekenen op papier, afbeelding afdrukken,…). Link eventueel met waarvoor een fluohesje binnen de school dient (kinderen of leerkrachten met bepaalde taak, …). 
  • fietsers. Kinderen mogen op de stoep fietsen, volwassenen niet. 
  • rijrichting. Auto’s rijden rechts van de weg. Je kan op het plan met speelgoedauto’s werken. Met de oudste kleuters kan je dieper op dit onderwerp ingaan: rijrichting van de trein, de metro, de tram; links rijden in bepaalde landen, … (zie ook Wikipedia-pagina ‘links rijden’) 
  • gordel dragen: alle kinderen en de chauffeur dragen in de bus een gordel (zie ook kinderzitje op fiets, kinderwagen op de speelplaats) 
  • helm dragen: op de fiets, brandweerlui, wegenwerkers. 
  • wegomleggingen. Op een groot plan kunnen kinderen bv. zelf wegomleggingen bedenken/tekenen. In een L.O.-les waarbij we met wegen werken zijn sommige tijdelijk afgesloten en moeten kinderen omleggingen bedenken. Ook: de afbakening van een werfzone: kegels rond de wegenwerken. 
  • hond aan de leiband houden: waarom?

3. Extra opdrachten

  • Knutselen: Dit kan in het klein (bv. voor het grondplan) of in het groot (voor in de klas of gang): een verkeerslicht, een boom, een vuilniswagen, voertuigen (o.a. uit kartonnen dozen waarmee ze zelf al stappend kunnen rijden, bv. vuilniswagen), verkeersborden, zebrapaden, parkeerstroken, stippellijnen (plakken in gang), …  
  • Lou wordt ’s avonds opnieuw opgehaald door papa (of vake). Welke weg volgen ze? Wie komen ze tegen? Doen ze boodschappen (welke)? Wat doen ze eerst, wat daarna? 
  • De straat van de school zou veiliger zijn als er een fietspad was. Je kan met de kinderen een fietspad maken, bv. met een strook rood papier. (ict: Google met de kinderen even het woord ‘fietspad’ om te zien hoe dat er uit ziet. Heb je een fietspad vlakbij de school? Ga dan even kijken.)
  • (Bij het grondplan) De kinderen sluiten de ogen. Iemand verwisselt personages van plaats of haalt er eentje of meerdere weg. Wat is er veranderd?
BijlageGrootte
PDF-pictogram 3-lougaatnaarschool.pdf1.09 MB