Activiteit 5: Wie woont waar

Methodiek

Ontwikkelingsdoelen
Nederlands: 2.5, 5.2
Mens en maatschappij: 2.3 

Materiaal

  • grondplan met huisjes
  • de helft van de kaartjes van het memoryspel  (elk gezin  1 x)
  • kaartjes ‘Wie woont waar’ (bijlage 5.1) • kaartjes ‘Verhuisd – enkel huizen’ (bijlage 5.2)
  • kaartjes ‘Verhuisd – enkel gezinnen’ (bijlage 5.3) 

Belangrijk
Voor deze activiteit maakten de kinderen al kennis met grondplan  en bijhorende huizen (activiteit 2) en met de prentenset ‘diverse gezinnen’ (activiteit 4). 

Inhoud

1. Wie woont waar?
Beschrijf welk gezin in welk huis woont aan de hand van de kaartjes ‘Wie woont waar’  (bijlage 5.1). De kinderen leggen de memorykaartjes bij het juiste huis. 
De kinderen kunnen dit ook zelf doen. Ze beschrijven dan het huis en het bijhorende gezin (talig een stevige oefening!) aan enkele anderen. Als ze een memorykaartje bij een huis hebben gelegd, toont de spreker de opdrachtkaart ter controle.

Tip:
Laat de kinderen steeds goed verwoorden wie de verschillende gezinsleden zijn.  Op die manier zijn ze heel bewust bezig met de diversiteit aan gezinsvormen.

2. Verhuisd
Enkele gezinnen (of allemaal) verhuizen. Laat de kinderen hiervoor redenen bedenken. Je kan zelf de gezinnen een nieuw huis toewijzen of dit door de kinderen laten doen, waarbij je kan ingaan op het waarom van hun keuzes.

Tip:
Heb je een kind in de klas dat net verhuisd is of gaat verhuizen? Dan kan je wat meer op dit onderwerp ingaan. Er zijn heel wat fijne prentenboeken over het onderwerp te vinden.

Omdat onze kaartjes ‘Wie woont waar’ niet meer kloppen, maken de kinderen zelf nieuwe kaartjes. Ze krijgen kaarten waarop enkel de huizen getekend  staan (bijlage 5.2) en waar ze de gezinnen op kunnen tekenen of omgekeerd (bijlage 5.3). Je kan als leerkracht kiezen welke kaartjes je gebruikt.
 

BijlageGrootte
PDF-pictogram 5-wiewoontwaar.pdf2.97 MB